Contact

Op de eenpersoonskamer van de afdeling waar ik mijn coschap loop, ligt meneer Dee. Hoewel een eenpersoonskamer een hoop voordelen heeft boven een zaal, kunt u er maar beter niet terechtkomen. Deze kamers zijn namelijk meestal voorbehouden aan de mensen met wie het niet goed gaat, zoals meneer Dee die sinds een aantal dagen zo verslechterd is, dat hij nauwelijks nog reageert. Waarschijnlijk dringt het niet eens tot de hoogbejaarde man door wat er allemaal om hem heen gebeurt.

Zijn familie denkt echter dat hij er weer bovenop komt: “Hij heeft altijd al gezegd dat hij honderd zou worden!” Terwijl de zaalarts zachtjes overlegt met de familie, sta ik voor een dilemma: moet ik me voorstellen aan meneer Dee of zet ik mezelf dan voor gek ten overstaan van familie en zaalarts? Ik staar schaapachtig naar de patiënt. Het lijkt alsof hij me aankijkt. De gedachte flitst door mijn hoofd dat meneer Dee wel degelijk doorheeft wat er allemaal gebeurt en aan het einde van zijn leven lijdzaam moet toezien hoe anderen hem overal buiten laten. Dat doet me besluiten voorover te buigen en op luide toon, meneer is misschien slechthorend, te zeggen: “Dag meneer Dee, ik ben Ludi Koning. Ik ben een coassistent!”

Het gesprek naast me valt stil. Meneer Dee lijkt me op te nemen: zijn ogen schieten heen en weer, maar verder gebeurt er niks. Ik knik de patiënt toe en draai me met een schuldbewuste blik om naar de familie. Die kijkt verdrietig van mij naar de patiënt, tot mevrouw Dee opeens jubelt: “Kijk, kijk!” Langzaam komt er beweging in de rechterarm van de patiënt. Het lijkt wel een minuut te duren voordat meneer Dee mijn hand gevonden heeft, maar de familie is in extase. Een dag later overlijdt meneer Dee. Op zijn 95ste verjaardag.

Ludi Koning, coassistent

Deze column is eerder verschenen in Ad Valvas, het universiteitsblad van de VU.