Hij was een jaar of zestien en keek me verontschuldigend aan: “Ik heb misschien een gek vraagje, maar het gaat om mijn vriendin.” Ik werkte al een jaar als intakesecretaresse op de Spoedeisende Hulp, de coschappen waren nog lang niet in zicht, maar deze bijbaan sloot perfect op mijn studie aan. “En waar is je vriendin dan?” Hij lachte zenuwachtig: “Die durft niet, die staat buiten.” Even bleef het stil: “Maar wat is er dan aan de hand?” “Nou”, de jongen aarzelde: “We vroegen ons af of we een dokter kunnen spreken.” Ik zag de lol er wel van in: “Ik denk dat de dokter je vriendin dan ook wil zien.” “Maar mijn vriendin durft niet naar binnen te komen!”
Ik voelde mijn wangen langzaam warmer worden: “Dan zul je mij toch echt moeten vertellen wat er aan de hand is.” Hij zuchtte eens diep, verontschuldigde zich alvast en gaf toe: “We hebben gisteren, zeg maar, seks gehad en toen gebeurde er iets geks met mijn vriendin.” “Oh?” probeerde ik zo professioneel mogelijk mijn rode hoofd te compenseren. Hij vervolgde met een beschrijving van een volstrekt fysiologisch verschijnsel, waarna een van de verpleegkundigen hem gerust kon stellen.
Ik besloot mijn gêne te overwinnen door me tijdens het practicum ‘de seksuele anamnese’ vrijwillig op te geven voor het groepsgesprek. Een medestudent speelde een dertienjarige patiënt die helemaal níks van seks afwist: “Dokter, een orgasme? Wat is dat dan?” Mijn uitgebreide beschrijving van de vijf fases van opwinding kon op veel hilariteit uit de groep rekenen. Maar hee, nu kon me niks meer gebeuren tijdens de coschappen, toch? Dus toen meneer Verbeek met klachten kwam die een seksuele anamnese rechtvaardigden, ging ik vol vertrouwen het gesprek in. Na de vragen over plasklachten zou ik soepel overgaan op een: “Heeft u nog klachten op seksueel gebied?”
Tot mijn grote verbazing zei ik echter: “En, hm, wat betreft de, eh, heeft u problemen met eh, ja, deze vraag hoort erbij vanwege uw klachten, dus, eh, normaal hebben mannen altijd, heeft u ’s ochtends nog erecties?” Geamuseerd keek meneer Verbeek naar mijn hoofd dat als een tomaat boven de witte doktersjas uitstak: “Als u wilt weten of ik problemen op seksueel gebied heb: nee. Mijn vriendin heeft niks te klagen, hoor”, knipoogde hij. Ik knikte. Heel gewoon allemaal. Maar toch een beetje jammer dat mijn patiënten mij op m’n gemak moeten stellen, in plaats van andersom…
Ludi Koning, coassistent
Deze column is eerder verschenen in Ad Valvas, het universiteitsblad van de VU.