Luisteren

Natuurlijk wil meneer Van Daalen een gesprek met me voeren over zijn ziekte. “Maar eigenlijk ben ik niet zo’n prater, ik ben meer geïnteresseerd in de ander. Ik luister liever”, vertrouwt hij me toe. Gelukkig, ik heb vandaag al genoeg mensen gesproken die niet konden stoppen met praten. (Jazeker, ik begin inmiddels ook aardig afgestompt te raken.)

Ik ben er overigens nog steeds niet uit of zo’n spraakwaterval een symptoom is van een narcistische persoonlijkheidsstoornis, of gewoon een uiting van onderliggende angst voor de dokter/ziekte. Vanaf de eerste vraag voert meneer Van Daalen echter het hoogste woord. Ik gooi het op de angsttheorie en vraag hem of hij ergens bang voor is. Vrijwel onmiddellijk barst mijn patiënt in huilen uit. Hij is bang dat zijn lieve vrouw alleen achterblijft als hij overlijdt tijdens de opname. Even ben ik vertederd: hij is hier voor een simpel onderzoek. Daar is nog nooit iemand aan doodgegaan.

Plotseling begint hij tot mijn grote verbazing een lang, zelfgeschreven gedicht te citeren. Overdreven articulerend. ‘...en gaat het u eens niet voor de wind. Kijk dan in de ogen van een onschuldig kind’, snikt meneer Van Daalen het einde met opgeheven vinger. “Eh, heel bijzonder”, probeer ik en laat een stilte vallen. “Ik wou alleen graag terugkomen op…”

“Ach, weet u wat het ergste is? De jeugd: ze zijn állemaal rechts. Ik ben een trouwe SP-aanhanger en... laat me raden: u stemt ook rechts?!?” Meneer Van Daalen kijkt me verwijtend aan. “Nee, eh”, ongemerkt ben ik erin getrapt: “Ik ken veel mensen van mijn leeftijd die links stemmen hoor, meneer”, hoor ik me mezelf verdedigen. De regie van dit gesprek ben ik nu voorgoed kwijt. Meneer Van Daalen knikt en begint opgelucht aan het volgende gedicht: ‘Een luisterend oor brengt mensen bij elkaar.’ Raar, maar waar…

Ludi Koning, coassistent

Deze column is eerder verschenen in Ad Valvas, het universiteitsblad van de VU.