Het grootste verschil met Nederland tot nu toe is dat de mensen zich niet aan elkaar voorstellen. Als je geluk hebt, roept een arts-assistent: “Dit is Ludi, zij is een medisch student uit Duitsland.” Maar ik heb geen geluk vandaag. In de hoek staat een student met een geel kapje. Shit, ik had ook een geel kapje op moeten doen. Ik loop naar de jongen toe. “Hoi, ben je een student?” vraagt hij me. “Ja. Dit is mijn eerste keer bij een keizersnee, erg spannend”, antwoord ik. “En wat studeer jij?” Hij kijkt me uitdrukkingloos aan: “Dat is mijn vrouw die daar ligt.”
Wat kan het toch warm worden op zo’n operatiekamer... Ik wil niet weten wat de man denkt als de arts-assistent me vervolgens ook nog vraagt te gaan wassen, zodat ik kan assisteren. Als ik mijn steriele jas aan heb, breekt er paniek uit in de operatiekamer; de toekomstige vader is verdwenen. Een operatieassistent kamt met spoed het ziekenhuis uit. Na vijf lange minuten loopt meneer James bleek en bezweet de operatiekamer weer in. “Het werd een beetje licht in mijn hoofd.” Hij houdt een nat washandje tegen zijn nek. “Compleet? Dan gaan we beginnen.”
Razendsnel legt de gynaecoloog de baarmoeder bloot. Ik ben opgelucht dat er niet al te veel bloed bij komt kijken. Ze lenen hier geen operatieklompen uit, dus ik heb nog steeds mijn goede schoenen aan. “Opgepast!” roept de gynaecoloog en dan gutst een grote hoeveelheid vruchtwater mijn kant op. De baby wordt uit de baarmoeder gegraaid en overhandigd aan een verloskundige. Vanuit mijn ooghoeken zie ik hoe een compleet verdwaasde meneer James met een schaar in zijn handen klaar staat. Voordat hij de navelstreng doorknipt, kruisen onze ogen elkaar. Ik ben bang voor een verwijtende of beschuldigende blik. Maar in zijn ogen zie ik iets heel anders, iets oneindigs. Ik slik en voel opeens mijn tranen branden ...
Ludi Koning, coassistent
Deze column is eerder verschenen in Ad Valvas, het universiteitsblad van de VU.