Schijterd

Tijdens de algemene coschappen is een hele middag besteed aan het ‘rectaal touché’ met docenten op wie we mochten oefenen. Dat gaat als volgt: ik stel mezelf netjes voor en leg de procedure uit: ‘Ik ben nog hartstikke onervaren, maar eens moet de eerste keer zijn, niet waar? Trekt u de broek maar uit. Het kan even vervelend zijn, maar denkt u maar zo: als deze bijna-dokter later nog eens een grote onderzoeksprijs wint, heeft u mooi wat te vertellen aan uw verjaardagsvisite!’

 

Omdat dat blijkbaar niet de bedoeling was, kregen we wat handvatten aangereikt: ‘Bij dit onderzoek ga ik met één vinger in uw anus voelen.’ We gebruiken geen ‘glijmiddel’, maar ‘gel’. Om de laatste angsten weg te nemen maken we duidelijk dat we een handschoen aantrekken en geen ‘instrumenten’ gebruiken. Eitje, natuurlijk!

Inmiddels is het al de tweede week van mijn introductie co-schap en vandaag ga ik dan voor het eerst een patiënt, eh, toucheren. Ik moet snel zijn, want de intro-co die een week na mij is begonnen heeft ook al een patiënt op het oog. Mevrouw Bakker lijdt al weken aan diarree. Ik ben al een uur bezig met het volledig lichamelijk onderzoek en hoef alleen nog maar de beenvaten te controleren, voordat ik het rectaal touché ga introduceren.

Dan piept mevrouw Bakker: ‘Duurt het onderzoek nog lang? Ik voel me
niet zo lekker en ik geloof dat ik ook weer naar het toilet moet voor ‘u weet wel’…’ Twee minuten later zit ik in de assistentenkamer te wachten op mijn dappere mede-co die me ongetwijfeld is voorbijgestreefd in professioneel functioneren. De deur zwaait open: ‘En?’ Beschaamd schud ik mijn hoofd: ‘Jij dan?’ Haar ogen ontspannen: ‘Mijn patiënt kon de onderzoeksbank niet opkomen…’ Ik knik begrijpend: ‘Tja, dan houdt het op, hè... Volgende keer beter.’

Ludi Koning, coassistent

Deze column is eerder verschenen in Ad Valvas, het universiteitsblad van de VU.