Mijn vertrouwenspersoon schudt zijn hoofd en pakt zijn jas: hij moet ervandoor. “Wie denk je wel niet dat je bent? Begint net aan haar coschappen en denkt dat ze nu de dienst al uitmaakt! Dat gedrag moet jij razendsnel afleren, want zó werkt het niet in een ziekenhuis!” Ik weet even niet wat ik moet antwoorden. Ik kwam de secretaresse alleen maar melden dat de coassistenten hun eindpraatje deze week in een andere zaal houden. In die zaal is een beamer, waardoor we niet met acht man naar een klein computerbeeldscherm hoeven te staren die in de ‘traditionele’ kamer staat.
De beamerzaal staat de rest van de dag toch leeg: optimaal gebruik maken van de middelen en initiatiefrijke co’s, was dat niet waar iedereen blij van wordt? Blijkbaar niet. “Maar mevrouw…”, “Maar? Maar? Wat een brutaliteit! Jij bent niet in de positie om mij tegen te spreken.” Ik probeer mijn opborrelende gevoelens te onderdrukken, terwijl ze doorraast over mijn incompetentie en hoe het systeem dan wél in elkaar zit: voor het gebruik van een zaal moet ruim van tevoren een schriftelijk verzoek worden ingediend, zodat een en ander gedeclareerd kan worden bij de betreffende afdeling.
Een van mijn medeco’s ligt onder tafel van het lachen, de anderen hebben met open mond staan luisteren. “Is dat echt gebeurd?” durft er een te vragen. “Jazeker, dit verzin je toch niet?” En dan komen de verhalen los. Over arts-assistenten die hun eigen fouten op de co afschuiven en over specialisten die er een groot plezier in scheppen het zelfvertrouwen van de co tot het nulpunt af te breken. “Geef geen kritiek op de afdeling, dat gaat je je beoordeling kosten”, waarschuwt de assistent als die ons de eerste dag van het nieuwe coschap over de afdeling rondleidt. We knikken begrijpend.
En we zwijgen. Want we willen hem allemaal dolgraag: die schapenbul.
Ludi Koning, coassistent
Deze column is eerder verschenen in Ad Valvas, het universiteitsblad van de VU.