Zeldzaam

Ik kijk op van mijn scherm. Voor me zit de halve familie Kooistra. Mevrouw Kooistra kampt al jaren met psychiatrische problemen. Tenminste, dat is het predikaat dat diverse artsen op het dossier van mevrouw Kooistra hebben geplakt. Meneer Kooistra vertelt half in tranen dat voor de ‘ellende’ begon, zijn vrouw de liefste, charmantste persoon in de wereld was. Altijd behulpzaam, vrolijk en energiek.

 

Mevrouw Kooistra lijkt zich niks van het relaas aan te trekken, verdwaasd kijkt ze voor zich uit. De nieuwe huisarts dacht aan een vroege dementie, maar de familie Kooistra was zo boos over wéér een nieuwe diagnose, dat ze een verwijzing naar de specialist hebben geëist. De oudste dochter legt uit dat na de geboorte van haar jongste zusje haar moeder allerlei klachten kreeg. De dokters stelden een postnatale depressie vast, maar ondanks therapie bleef moeder ontzettend moe. Er komt niks meer uit haar handen, terwijl ze vroeger zo’n bezig bijtje was.

Ik knik begrijpend naar de familie en stel de cruciale vraag: “Hebben de kinderen allemaal borstvoeding gehad?” Meneer Kooistra antwoordt dat de oudste kinderen beiden borstvoeding hebben gekregen, maar dat bij de jongste de borstvoeding nooit op gang is gekomen. De familie dacht dat het aan de postnatale depressie lag. Ik weet genoeg. De opleider knikt bewonderend als ik hem even later mijn diagnose voorleg. Een paar weken na de behandeling komt de familie Kooistra in tranen van blijdschap naar me toe. Hun moeder is weer helemaal de oude en… “Ludi?” Mijn mede-co staat in de deuropening, “ga je mee lunchen? Wat ben je aan het doen?” Geschrokken vertel ik hem dat ik aan het studeren was. “Het syndroom van Sheehan? Ik word gek van al die zeldzame aandoeningen, hoe onthoud jij dat toch allemaal?” Ik pak mijn lunchgeld: “Geen idee… gewoon goed leren…”

Ludi Koning, coassistent

Deze column is eerder verschenen in Ad Valvas, het universiteitsblad van de VU.